Op het kruispunt

De blauwe stip van Google Maps, die je huidige lokatie aangeeft, werkte toch nog confronterend. Het westelijkste puntje van China, een gebied zonder grote wegen waar zelfs geen doorgaand vliegtuig overheen komt. Zijn we zo ver weg van de bewoonde wereld? Kashgar heeft, zoals andere steden die enigszins synoniem geworden zijn met het einde van de wereld, natuurlijk alle tekenen van beschaving. Westerse fastfood-ketens ontbreken hier, maar daar heb je Chinese voor in de plaats. En ook aan dit einde van de wereld bevinden zich stoplichten, toeterende auto’s en groepjes westerse reizigers.

En toch, je ervaart hier heel sterk de tweesprong waarop de stad zich bevindt. Tussen de flatgebouwen die de Chinezen om de oude stad heen hebben gezet (terwijl ook delen van de oude stad zelf vervangen zijn door Chinese pogingen tot authentieke architectuur) sta je hier zomaar in bazaars waar alle culturen behalve de Chinese samenkomen. De stoffen, de tapijten, de naanbroden, de shaslicks, de muziekinstrumenten: je zit hier toch echt behoorlijk veel dichter bij de Arabische wereld dan bij Beijing. Deze oude straatjes waar kleuren, geuren en geluiden samenkomen waren iedere kilometer van de lange tocht hierheen waard.

Vanuit ons hotel zie je in de verte onze volgende stop al liggen. In de afgelopen dagen pakten we al een klein voorproefje op het bergland mee. We overnachtten aan het Karakol-meer, zo’n 150 kilometer richting Pakistan vanuit Kashgar. Met bergen van meer dan 7500 meter binnen het spreekwoordelijke handbereik sliepen we in een yurt van een lokale familie. Thee met melk liet even op zich wachten, want de yak moest nog worden gemelkt om de thee te kunnen maken; dat soort werk. Maar de volle maan gaf de meest magische momenten.

Terug op ons Kashgarse kruispunt bezochten we vandaag nog de beroemde veemarkt, als laatste stop op het Chinese deel van de Zijderoute. De berg roept; wij slaan af naar Kirgizië!

De westerling in mij

Korla, een moderne Chinese stad die er in de tijd van de Zijderoute nog niet lag. Het is onze tussenstop om de lange tocht langs de Taklamakan-woestijn in tweeën te knippen. Morgen nemen we de nachttrein naar het westelijkste puntje van China. De promotiefoto’s van ons hotel tonen een hotel aan de rivier. Maar als ik het hier zo zie, zal deze rivier niet meer dan enkele weken per jaar werkelijk stromen. Op dit moment kijken wij uit op een “rivier” waar een vrachtwagen over de betonnen bedding rijdt.

Nee, dan Turpan, onze vorige stop. Ruig woestijnlandschap rondom de oase, een oud minaret tussen de wijnstokken en de ruïnes van een stad uit de tijd dat Xinjiang nog Boeddistisch was. Rondwandelend tussen gebouwen die in de loop der tijd meer rots-sculpturen waren geworden kregen we een Indiana Jones-gevoel (de daadwerkelijke tochten van Hedin, Von le Coq en anderen door Xinjiang moeten toch genoeg zijn voor een “Treasures of the Taklamakan”?). Onze gids reed door bij de plaatsen waar tourgroepen standaard langs tupperware parties en ‘themadorpen’ worden gestuurd, en we stopten zelfs nog even in de schuur die de familie gebruikt om druiven te laten drogen tot rozijnen. Weg van de hordes Hanchinezen hielp deze Oeigoer ons aan het Zijderoute-gevoel.

En daar zitten we dan in Korla, waar de mensen in tegenstelling tot Turpan grotendeels in flatgebouwen wonen en dus niet de luxe hebben om gedurende de warme zomer hun bed op het dak te zetten om nog in enige koelte te slapen. Waar men verkoeling zoekt in malls in plaats van onder daken van druivenbladeren die ze boven de straten hebben opgehangen. Maar een hinderlijke onderbreking van deze zoektocht nog het Zijderoute-verleden is Korla allerminst. Heerlijk, die supermarkt in westerse stijl met zowaar wat behulpzame teksten in het Engels. En eindelijk, die al sinds Beijing gezochte koffietent waar je met een cappucino op de bank je blogje kunt schrijven.

Kortom, een dagje terug naar moderne westerse geneugten. De Zijderoute komt in Kashgar wel weer.

Gangnam Style

Gangnam betekent in het Koreaans weinig meer dan “zuidelijk van de rivier.” Zoals iedere rechtgeaarde Rotterdammer weet, op Zuid wonen de boeren. Gangnam heeft een vergelijkbare historie, want tot vijftig jaar terug stond hier nog helemaal niets. Historische bezienswaardigheden zijn in dit deel van Seoul niet te vinden.

En toch, Gangnam is een alleraardigste uitvalsbasis om de stad te verkennen. Ik vrees toch dat we op dit punt de zanger PSY (wiens “Gangnam Style” toch een beetje een aanklacht schijnt te zijn tegen de hipheid van Gangnam die dreigt te eindigen in inhoudsloosheid) moeten danken voor het onder de aandacht brengen van een stadsdeel we zonder hem nooit gekomen zouden zijn, net zomin als de meeste andere toeristen dat doen.

Gangnam, dat zijn de wolkenkrabbers van Teheranro, het winkelcentrum rondom het metrostation Gangnam, de designerwinkels van het überhippe (en toch leuke) Apgujeongdong. Het is een stad in een stad, twintig metrominuten van het oude centrum, die tegelijk hypermodern en op menselijke maat is. Wij vonden het een heerlijke plek om van koffiebar naar koffiebar te wandelen, de winkels te bekijken en aan het einde van de dag via een lokale bar en het tempura-stalletje af te zakken naar een restaurant dat je vooral lijkt te delen met de bevolking van de nabije kantoren. Apart trouwens om te zien hoe die hun after-work galbi volkomen uit de klauwen laten lopen…

Het kwam er eigenlijk op neer dat we na de verplichte (en door omstandigheden behoorlijk teruggeschroefde) bezoekjes aan Seoul Centrum eigenlijk steeds met plezier weer de rivier over gingen. Als we dus weer terugkomen in Seoul -we hebben er nu eenmaal wat unfinished business boven de rivier en in de DMZ- dan dus zeker weer in Gangnam. Of in een andere buurt waarvoor we tegen die tijd voor worden gewaarschuwd …

Gewoon omdat het kan

Op parkeerplaatsen op snelwegen door heel Korea haal je ze er zo uit. De mensen die op weg zijn naar een van de nationale parken voor een wandeltocht. Hiking is groot hier. Zo groot dat op diezelfde parkeerplaatsen standaard naast de gebruikelijke wegrestaurants een winkel zit waar je je gear nog flashier kunt maken. Het is allerminst geitenwollensokken-business, de Koreaanse natuur.

De Koreaanse boeddisten richtten hun tempels op op de mooiste plekjes in de bergen van het schiereiland en de herfst is de leukste tijd van het jaar om daar rond te hangen. We zijn helaas net te vroeg voor de Indian Summer, maar het wandelweer is heerlijk en de tempels waren het meer dan waard. Grappig ook om te zien hoe Koreaanse tempels verschillen van wat we elders zagen. Grijze monniken en totaal andere kleuren in de tempels dan je in andere landen ziet.

En ja, ook die monniken hebben gewoon een smartphone. Want dit is natuurlijk wel Zuid-Korea. Voor al het publiek -wandelaars, monniken en gasten van de templestay- zijn de parken tot in de puntjes verzorgd. Terug naar de natuur prima, maar natuurlijk alleen als je nieuwste, hip gekleurde hiking-gear niet vies wordt. En uiteraard kun je met je smartphone de QR-code van het noodnummer inscannen dat op een kilometerpaaltje staat vermeld. De gedachte dat er mensen zoals ik rondlopen die dat nummer niet kunnen inscannen en dan vergeefs het paaltje zouden moeten afspeuren naar het noodnummer, dat past niet in de Koreaanse gedachtenwereld.

Het lijkt hier: als het met moderne techniek kan, dan doen we het. Als ze de koffie nog even moeten zetten, geven ze je van de balie een ontvangertje mee dat gaat trillen wanneer de barrista het signaal geeft dat de koffie klaar is. In die koffiebars lijken de mensen aan menig tafeltje eerder met elkaar te communiceren via social media dan omwille van het -toegegeven hopeloos ouderwetse- feit dat je met elkaar aan één tafel zit. Gewoon omdat het kan.

Voor ons is het genieten van zowel het tijdloze Korea als het moderne: de tempels, de bergen, de zee en de neonverlichting aan de baai van Busan waar de vanaf de boulevard zichtbare hangbrug iedere minuut van kleur verandert. Wij genoten met een tijdloos biertje erbij en hielden de telefoons op zak: gewoon omdat dat ook kan.

En de techniek? Die bewaarden we voor de volgende ochtend, want ik post dit blog direct vanuit de trein met dank aan de gratis wifi. Omdat dat gelukkig zeker altijd kan hier …

(Is er) leven na het sprookjesbos

Heineken heeft een standaardmodel Ierse pub, dat het aanbiedt aan uitbaters van kroegen. De Airports Authority of India heeft op diezelfde manier haar standaardmodel “regionaal vliegveld”. En zo zaten we vanmiddag op het nieuwe vliegveld van Udaipur, dat er precies uitziet als dat van Varanasi, en ook nogal lijkt op de contouren van het nieuwe vliegveld van Khajuraho, waaraan op dit moment gebouwd wordt.

Geheel volgens de regelen der kunst worden de nieuwe vliegvelden uitgerust met veel glas en met slurven tussen de terminal en het gereedstaande vliegtuig. Maar wat zie je vervolgens gebeuren? Alle vliegtuigen worden ergens verderop geparkeerd en men laat de passagiers gewoon lekker lopen. De volledige eerste verdieping van het vliegveld, bedoeld om passagiers van en naar de slurf te brengen, ligt stof te vangen.

Je moet het er maar op houden dat India met alleen maar nieuwlichterij een heel stuk minder leuk is. Want daar zitten we nu in New Delhi: eerst van vliegveld naar hotel in een file die overal in Europa had kunnen staan, om vervolgens in een hotel aan te komen met post-moderne design-inrichting. Fantastisch mooi hoor, maar waar is het sprookjesbos hier?

Het is dat sprookjesbos waar we ons in de afgelopen weken met grote ogen aan hebben vergaapt (zonder uiteraard de ogen te sluiten voor de miljoenen mensen voor wie Slumpdog Millionaire het enige relevante sprookje is). Met onthoofde mensen die in de legende gewoon een olifantenhoofd krijgen, waarna alles weer goed is. Met forten waar je per olifant aan kunt komen. Met paleizen op een meer waarin dan figuren rondlopen die nieuwe gasten met een regen van rozenblaadjes verwelkomen (echt een fantastische ervaring, dat Lake Palace). En met gewoon hier en daar een klein lief tempeltje op straat. Zat ik vanmiddag werkelijk nog in dat sprookje?

Anders bekeken: ons resten nog twee dagen modern India. Een hoofdstad die (tenminste toch deels) van de tekentafel komt, met hoogbouw, stoplichten en een vliegveld waar de slurven gewoon werken. Ik ben benieuwd hoe het bevalt, dat India van de 21e eeuw.

In de rij / uit de rij

Soms maak je het mee dat Indiërs keurig in een rij staan. Zo’n hele nette rechte lijn die je verder vooral ziet wanneer er veel Britten met stiff upper lip in de buurt zijn. Mij staat een foto bij, genomen tijdens het eerder dit jaar in India gehouden wereldkampioenschap cricket; om aan kaartjes voor de halve finale te komen nota bene. Op deze vakantie maakten we het zelf mee op het vliegveld van Delhi.

Maar na een week India kan er toch maar één conclusie zijn. Namelijk dat Indiërs het grootste deel van de tijd hun reputatie als het om rijen gaat volledig waarmaken. Met name op stations mocht ik het meemaken hoe ik keer op keer, onder een onverwachte (en onmogelijk geachte) hoek, links en rechts werd ingehaald op weg naar het felbegeerde loket. Het mausoleum van de Taj Mahal? Duidelijk niet heilig genoeg om mensen van een slalom langs andere wachtenden te weerhouden. Je zult maar vijf seconden later aankomen bij die tombe.

Dat onverwachte maken we ook mee op de straten van de Indische steden die we tot nu toe bezochten. Op de achterbank van onze tuk-tuks maken we het keer op keer mee hoe chauffeurs de snelste route door de verkeerschaos weten te vinden; linksom, rechtsom, even spookrijden, alleen de optie “over de koe heen” lijkt niet te mogen. Op dat soort momenten is het Indische rij-denken voor ons een bonus, want bij iedere rit met de tuk-tuk kijken wij weer onze ogen uit.

Maar eerlijk is eerlijk: de heerlijkheid van een samenleving waarin rijen (meestal) niet bestaan en iedereen zijn eigen plan trekt, die heeft maar een beperkte houdbaarheid. Na een paar uur in de Indische stad is toch iedere keer weer het moment nabij dat Lotte en ik elkaar aankijken en binnen de seconde besluiten dat het hoog tijd is om ons terug te trekken in de comfort zone van ons hotel, waar we als een raja worden ge-namasgard bij iedere keer dat we ook maar een deur naderen. Heerlijk, dat leven zonder rij …

Projectontwikkelaar gezocht

Het hotel is duidelijk al jaren gesloten; in ieder geval al zolang als wij dit stukje Milaan kennen. Maar Hotel Napoli beheerst wel de Via Mercato, de hoofdstraat vlak om de hoek van ons oude Milanese adres. Eettentjes (wat toeristisch, maar toch), wijnbars en de binnenstad om de hoek, een metrohalte voor de deur. Bar Garibaldi beneden sluit niet al te lang na de aperitivo. En balkons vol op het zuiden.

Kortom, Lotte en ik zien een herontwikkeling van Hotel Napoli wel zitten. Zodat het ons eigen Milanese pied-à-terre wordt, wel te verstaan. De voormalige kamers met de grote balkons mogen bij elkaar worden getrokken en voorzien worden van een inrichting die wat meer 2011 is. De oude kamers aan de zijkant mogen worden verkocht. “In het gewilde Brera,” om het maar in Nederlands makelaarsproza te brengen.

Kortom, iemand geïnteresseerd in een projectje?

Fernweh … maar nu even niet

De rum is goedkoper dan het bier, dus dan weet je dat we in de West Indies zijn aangekomen. Heen en weer pendelen tussen de hangmat, ons eigen zwembadje, de Bamboo-bar en ons favoriete ontbijttentje dat door een Nederlandse blijkt te worden gerund. De rare verhalen aanhoren van een geflipte local die ons voorhoudt eigenlijk sterrenkok te zijn. En zoeken naar die ultieme tropisch-eilandfoto.

Caye Caulker is alles wat wij van een kort verblijf aan de Caraïbische Zee verwachtten. Maar ‘t is maar voor een paar dagen. Voornaamste vraag hier is toch hoe lang we het zullen uithouden in onze hangmat en wat een gepast moment is om de boot terug naar het vasteland van Yucatán te pakken, op zoek naar de laatste ontdekkingen van deze vakantie.

Moderne vogels

Jammer dat je bij foto’s geen geluid kunt krijgen. Want alleen het beeld van een busstation in Guatemala brengt het gevoel niet in je op. Serene rust, met twee mensen die toevallig met wat tasjes voor een bus staan? Vergeet het maar. Op het busstation van Antigua is het een fantastische kakofonie van de brullende motoren van de zogenaamde chicken busses met daaroverheen de busjongens die de reizigers naar hun bussen proberen te lokken.

“Pana Pana Pana Pana” is de lokroep voor de bussen naar Panajachel aan het Lago Atitlan, voor marktstadje Chichicastenango moet je naar een bus die “Chi Chi Chi Chi Chi Chi Chi” roept. “Guaaaaaaaaaate, Guaaaaaaaaaate” is geen papegaai maar de bus naar Guatemala Stad. Het zijn de kleuren en geluiden van een blikken regenwoud. Daartussenin wandelen dan nog de verkopers van happen en dranken voor onderweg. Het busstation van Antigua bevindt zich direct naast een plaatselijke markt, en daarin staat het volgens mij zeker niet alleen binnen Guatemala.

Voor sommige reizigers is het onderdeel van de charme om zich vervolgens ook daadwerkelijk met zo’n bus te verplaatsen. Je leert het land pas echt kennen als je onder de mensen komt, heet het dan. Als je hun lijden onderweg deelt. Niet geheel onze stijl. Tijdens die paar weken vakantie mag je ook wel een beetje tot rust komen, en dat gaat toch een beetje makkelijker als je de houten banken van een oude Amerikaanse schoolbus vervangt door een nieuwere toeristenbus.

Terug naar het hotel dus, want over enkele uren worden we opgehaald voor onze transfer naar Flores.

Zomaar wat gedachten voor de deur van een supermarkt

Wat zou een huismoeder uit de Mexicaanse berglanden (pak ‘m beet: omgeving San Cristobál de las Casas) denken wanneer ze, lopend door een Nederlandse woonwijk, de door een marketeer gelikte gevel van een Albert Heijn ziet? Zou ze het überhaupt herkennen als supermarkt? En is die gevel dan wel of geen reden om naar binnen te lopen en inkopen te doen?

Hoe romantisch die gedachte ook klinkt, ik vrees dat er een nogal onromantisch antwoord bestaat op de vragen. Ja, een Albert Heijn wordt ook door een huismoeder van het Mexicaanse platteland herkend als supermarkt. Want door heel Latijns-Amerika zijn niet alleen dit soort Abarrotes met muurschilderingen gemeengoed, maar ook supermarkten van een zeer Westers slag. Het is waarschijnlijk een feit dat de mensen die hun inkopen doen in dit soort beschilderde winkels, of op de markten waar Lotte en ik tijdens vakanties zo graag overheen lopen, vooral door geldgebrek niet in een westerse supermarkt komen. De lokatie van deze winkel spreekt wat dat betreft boekdelen: niet in de keurig geveegde toeristische hoofdstraat van San Cristóbal, maar tegengekomen op een wandeling door een wijk tegen het toeristencentrum aan.

Dat maakt van onze tochten over lokale markten, en langs lokale supermarkten, wellicht iets decadents. Maar de wandeltocht tussen deze Juanita’s met de pet geeft denk ik toch een realistischer beeld van de werkelijkheid van Mexico dan onze luxe-busritjes met ADO, de wijnbar in de hoofdstraat van San Cristóbal of het lekker rondkijken op de schitterende koloniale stadspleinen die dit land rijk is. Die laatste maken van Yucatán een heerlijke bestemming; het eerste is iets waar wij op onze reizen onze ogen niet voor willen, of kunnen, sluiten.